Nederlander en nog iets anders, Regina Grüter

Volwassenen beseffen niet goed wat landverhuizing voor kinderen betekent. Zij hebben andere dingen aan hun hoofd, en kinderen passen zich zo makkelijk aan. Net als veel andere Nederlanders emigreerden de ouders van Regina Gruter (nu 53) in de jaren vijftig naar Australië, maar het gezin keerde na tien jaar terug toen Regina achtjaar oud was. Nu doet ze verslag van de zoektocht naar haar jeugd.


Jeugdfoto van Regina Grüter. In april 1958 in Australië.

Bonkend hart

Jarenlang kan ik herinneringen aan mijn Australische jeugd wegstoppen en terughalen naar gelang mijn stemming. In de loop van de jaren verandert dat: ze overvallen me onverhoeds. De eerste keer is een moment van ’herkenning’ op een zondagmorgen, als mijn kinderen nog klein zijn. Ze zijn al uit bed en hebben de televisie aangedaan. Als ik beneden kom, zitten ze te kijken naar een jeugdfilm, kinderen die spannende dingen doen. Ik mompel dat het een beetje op vroeger lijkt. Dan gaat mijn hart bonken. Een bal van schrik groeit van binnen: wat ik nietsvermoedend zit te bekijken is mijn kindertijd in de bergen. Die vallei, daar heb ik gewoond; die bomen, daar heb ik in geklommen; die taal, die heb ik gesproken. Daar kom ik vandaan. Ik begin uit het niets te huilen, niet te stuiten. De kinderen schrikken en proberen me te troosten. Als het is weggeëbd begin ik te beseffen dat er een kluwen van herinneringen, emoties, onverwerkt verlangen en weggestopt heimwee in mijn binnenste zit. Daarna gaan we over tot de orde van de dag.


Snowy Mountains

Een jaar of tien later loop ik een boekhandel binnen. Zoals gebruikelijk ga ik naar de rubriek geschiedenis. Dan word ik afgeleid door een plank met reisgidsen. In slow motion loop ik erheen en pak de Lonely Planet van Australië. Ik blader naar het plaatsnamenregister. Adaminaby: ja. Cooma: ook. Sue City: nee. Er blijkt een beschrijving te zijn van de Snowy Mountains waar ik heb gewoond. Het is mijn vroege jeugd in een notendop. Na de naam Jindabyne lees ik niet meer verder. In een waas loop ik met het boek naar de kassa. Thuis gaat de gids de kast in en blijft daar staan. Een paar jaar later pas kijk ik er weer in, nadat ik heb besloten dat ik terug ga.


Koffer

Op een zondagmiddag praat ik over de telefoon met mijn vader. We hebben het eerst over koetjes en kalfjes, maar dan vraag ik hem naar de koffer. Het is een groenige, kartonachtige koffer met spullen uit Australië en van de reis naar Nederland. Ik herinner me dat er prachtige menukaarten in zitten van de Johan van Oldenbarnevelt, het schip waarmee wij in 1962 naar Nederland voeren. De koffer heeft in ons huis in Limburg een poos in de garage gelegen op een soort zoldering die mijn vader had gemaakt om ruimte te creëren. Mijn vader zegt dat er niets voor mij in de koffer zit.


Tumbarumba Road

Ik zeg dat ik naar Australië ga en dat ik gegevens moet hebben over waar we hebben gewoond. Ik moet weten of de plaatsen die ik me herinner echt zijn. Ik ken de straatnamen, maar niet alle huisnummers. Adaminabydam, Eaglehawk, Eucumbene, Jindabyne, Sue City, plaatsnamen van mijn jeugd. Waar ik als een wilde op blote voeten liep en zwarte eeltlagen op mijn voeten kweekte. Eelt dat mijn beschaafde tante na mijn komst in Nederland tijdens een vakantie iedere avond van mijn voeten af probeerde te boenen. Als wij wandelden in de dennenbossen moest ik mijn schoenen aan, maar onderweg deed ik die toch weer uit. Deze erfenis is dan uiteindelijk wel van mijn voeten geboend en gesleten, maar niet uit mijn hoofd verdwenen. De rivier, de gele hangbrug die zwiepte, de weg naar het eind van het dorp waar ik wilde frambozen plukte. De weg die toegang gaf tot Sue City, waar ooit in een bocht het lijk van een wombat, zo’n typisch Australisch buideldier, lag te stinken. Eerst opgezwollen, daarna iedere keer als je er langs kwam door ontbinding verder geslonken. Je kon rechtsaf het dorpje in, en rechtdoor de brug over. Dan, op een manier die ik ben vergeten, kon je aan de overkant verder de berg op: de Tumbarumba Road. Die weg zelf was vanuit ons huis niet zichtbaar, maar de auto’s die er af en toe op reden wel. Als ik eraan denk zie ik, ruik ik en voel ik alles tegelijkertijd in één stip, een ingedikte en gestolde herinnering. Ik moet me emotioneel voorbereiden op de terugkeer na 38 jaar. Het is mijn tastbare verleden, daar in die koffer. Ik wil het zien.


Blijdschap

Mijn vader zegt dat híj bepaalt wanneer die koffer open gaat. Ik word boos en vertel dat die koffer vroeger al lang open is geweest. Hij weet het niet meer. Ik zeg dat ik er niet meer naar zal vragen. Ik laat de koffer los, maar eigenlijk verwijder ik me op dat moment van mijn vader. Ik leg de hoorn op de haak.

Later die middag belt mijn moeder. Zij vertelt dat ze het naar vindt wat ik teweeg heb gebracht. Mijn vader wordt geconfronteerd met het verleden, een confrontatie waarmee hij het moeilijk mee heeft. Maar ze zegt dat hij de koffer toch gaat openen. Ik voel verwijt, spijt en schuld, maar ook blijdschap om de documenten die ik binnenkort zal zien.

Aan het eind van de middag belt hij. Met zachte stem vertelt hij dat de koffer open is. Er zit inderdaad wel iets in waar ik wat aan kan hebben. Hij zal die stukken apart leggen en ze binnenkort langs brengen.


Bevestiging

Een paar dagen later komen mijn vader en moeder langs. Ze leggen twee plastic draagtasjes neer. Spullen uit de koffer. Ik bedank ze en leg de tasjes op de trap om mee naar boven te nemen. De volgende dag, als er niemand thuis is, haal ik ze weer tevoorschijn. Mijn verleden ontvouwt zich op tafel. Er zijn menukaarten van de Johan van Oldebarnevelt, nieuwskrantjes voor de passagiers. Rekeningen van de garage voor het doorsmeren van onze Volkswagen – en meer zaken uit de tijd van Sydney. Er zijn documenten uit de periode in de bergen, waarin onze adressen staan. De straatnamen kloppen. Gestencilde schoolrapporten uit Sue City van mijn broer en mij. Schoolschriftjes. Naturalisatieformulieren die gedeeltelijk zijn ingevuld.

Met droge mond en starende ogen stop ik alles terug in de draagtasjes. Wat in mijn hoofd zit klopt. Aanvulling op mijn herinneringen vind ik hier, correctie ook, maar vooral bevestiging. Ik berg de tasjes boven in de kast op. Ik zal er een andere keer goed naar kijken.


De Johan van Oldenbarneveldt Uit het archief van Regina Grüter

Landverhuizing

Volwassenen kunnen niet goed beseffen wat landverhuizing voor kinderen betekent. Dat is begrijpelijk: ze hebben andere dingen aan hun hoofd, en kinderen passen zich zo makkelijk aan. Mijn ouders zijn in 1962 teruggekeerd naar de plaats van hun jeugd. Net als velen emigreerden ze met grote verwachtingen, maar remigreerden ze omdat de harde samenleving tegenviel.

Hoe zit het met al die anderen in de wereld die van land en cultuur zijn veranderd – vaak gedwongen door oorlog, armoede of rampen? Ontheemden die niet meer terug kunnen naar hun geboorteland, maar altijd die plek met zich meedragen? Als ik ga dementeren, zal ik dan Australisch slang praten?

Hoe zit de identiteit in elkaar van de kinderen van asielzoekers en vluchtelingen, die hier in Nederland van centrum naar centrum worden gestuurd, soms in de gevangenis terecht komen, en uiteindelijk uit Nederland worden verwijderd? Welke taboes zullen zij hebben als ze opgegroeid zijn, en zal hun vader een koffer kunnen openen als zij naar hún spullen vragen?


Wortels

Ik ben van mijn geboortegrond weggegaan en leef al jaren ver van de plek waar mijn wortels groeiden. Genetisch ben ik ontsproten aan Europa, maar mijn wortels hebben hun eerste voeding uit de Australische rode aarde gehaald. De zoon van een Italiaanse gastarbeider in België, geboren en getogen in Wallonië, zei laatst op tv: „waar je geboren bent, daar liggen je wortels.” Hoewel hij is blijven wonen in zijn geboorteland en ik niet, geldt dat toch ook voor mij. Mijn wortels liggen daar. Dat ik een volkomen aangepaste Nederlandse ben geworden, doet er niets aan af. Maar er zat een gat in mijn identiteit, waar iets Australisch was blijven hangen. Ik ging het stukje Australisch wat er nog was zien als een hinderlijk infiltraat, iets wat er maar beter niet kon zijn. Nu besef ik dat mijn ik iets extra’s heeft: Australië is een toegift die ik altijd bij me draag. Toen we in Australië woonden was ik een Australisch kind met een stukje Hollands. In Nederland werd ik door middelbare school en studie steeds meer Nederlands. Ik trouwde met een Nederlander, kreeg Nederlandse kinderen. Nu besef ik dat je honderd procent Nederlander kan zijn en daarbij ook nog iets anders: Australiër bijvoorbeeld.


Uit Australië kwam 1 op de 3 emigranten terug

De 100.000ste emigratie naar Australië.


Tussen 1946 en 1981 emigreerden ruim een half miljoen Nederlanders. De piek lag tussen 1950 en 1960, de top in 1952. Dat jaar vertrokken 50.000 Nederlanders, van wie er 16.000 een nieuw leven in Australië begonnen, na Canada het populairste emigratieland. In totaal zijn zo’n 130.000 Nederlanders naar Australië geëmigreerd. Hun redenen varieerden van economische en sociale motieven (“een beter land voor mijn kinderen”) tot angst voor een nieuwe oorlog (Korea, het communisme).

Volgens schattingen is ongeveer 30 procent van de Australië-emigranten weer teruggekeerd. Heimwee was een belangrijke reden, maar ook de hardheid van het land: (chronische) ziekte en werkloosheid noopten velen om terug te gaan. Hoeveel emigranten terug hadden willen komen, maar dat niet konden omdat zij geen geld hadden voor de overtocht, is niet bekend.



Terug naar overzicht verhalen.


(C) 2005 - Alle rechten voorbehouden

Deze pagina afdrukken