De laatste dagen heb ik al mijn herinneringen aan Australië de revue laten passeren, compleet met alle gevoelens die er toen waren. Hier is dus mijn verhaal, over de leuke dingen, maar zeker ook over de niet-leuke dingen, geschreven in alle eerlijkheid.
We emigreerden in 1960 naar Australië. De emigratie had alles te maken met het feit dat mijn moeder de oorlog op een vreselijke manier had meegemaakt. De hongerwinter, met 6 kinderen, is een nachtmerrie geweest voor haar. Je kunt de emigratie dan ook zien als een soort vlucht voor deze oorlogsherinneringen.
De Waterman
We werden medisch gekeurd en daarna konden we gaan, alles was geregeld. Ik was 12 toen we vertrokken, een puber dus. Mijn ouders waren niet de jongste meer. Mijn moeder was toen 52 jaar. Ook mijn drie broers gingen mee en mijn zus en haar vriend. De boot waarmee we de reis maakten, heette De Waterman. Het was een heel klein schip van 8000 ton. Ik hoor mijn moeder nog verbaasd tegen mijn vader Aart zeggen: ‘Nee hè, dit schip toch niet?’ ‘Ma, zwemmen wordt ook niks’, zei mijn broer toen. En daar had hij gelijk in, mijn moeder kon niet zwemmen.
De Waterman - 8000 ton
Opvangkamp
We hadden een goede tijd aan boord. Het was echt wel luxueus. Alleen de stormen die we tegenkwamen, waren minder aangenaam. Nadat we aankwamen in Sydney, werden we opgevangen in een kamp. Ons gezin kreeg 2 barakjes. In het kamp was een gaarkeuken en één school waar ik naar toe moest. Gelukkig sprak de onderwijzer Nederlands, dat was een mazzeltje. In het kamp waren Nederlanders die daar al jaren zaten, omdat er in die tijd de grootste werkeloosheid heerste, die Australië ooit gekend heeft. Het was dus pure armoede, maar daar werd over gezwegen.
Werk
We zaten, denk ik, twee maanden in het kamp, toen mijn moeder in Bellambi (N.S.W.) een klein zomerhuis kon huren, dat achter in de tuin van een Nederlandse familie stond. We hadden het geluk dat mijn grote broers allebei een goed vak beheersten. De een was stukadoor en daar was veel vraag naar in Australië. De ander was schilder, eveneens een veelgevraagd ambacht. Voor mijn vader was het moeilijker om werk te vinden. Hij had in Nederland in de bouw gewerkt, als ongeschoold arbeider, en beschikte dus niet over specifieke ‘skills’.
Bellambi New South Wales
Gezien via Google Earth
Cowboy
Ik beleefde het leven in Australië anders dan de rest van het gezin. Ik had de zorgen niet, en voelde me wel aangetrokken tot het land. We woonden aan het strand, in het groene gedeelte van Bellambi, en ik was van plan er een leuke tijd van te maken. Ik moet zeggen: het werden de mooiste jaren van mijn jeugd. Ik heb daar alles kunnen doen, waar je hier niet eens over durft te dromen. Als ik mensen vertel over mijn jaren in Australië, denken ze dat ik van Mars kom. Mijn broer kocht een paard, Pancho. Eerst durfde ik er niets mee, maar later reed ik als een cowboy door de straat, én ook nog erg hard. Ik was vaak aan zee te vinden, kreeg Australische vriendinnen, dus - ja - met mij ging het prima!
Eerste tekenen van heimwee
Met mijn vader ging het steeds minder. Hij kon de taal niet leren en hij moest zes weken lang de hele dag voor een fabriekspoort staan, om uiteindelijk een baantje te krijgen als veger. Hij liep dus op de staalfabriek de vloer te vegen. Ik heb daar, overigens, nooit iemand iets mins over horen zeggen. Dat vond ik een hele goede zaak. Als een Australiër wat tegen hem zei, antwoordde hij prompt: ‘Man, dat hebben we in Holland ook …’. Hij zei nooit iets over heimwee, maar als je naar hem keek, dan wíst je het.
Middle of nowhere
Na een paar jaar viel het besluit om voor de terugreis te gaan sparen. Het was bijna een stilzwijgend besluit, want er werd nauwelijks over gepraat. Zeker door mijn vader niet. Ik heb gezegd: ‘Van mij hoeft het niet, ik zit hier prima.’ Ik voelde er weinig voor weer terug te gaan naar het land waar je je kont niet kan keren. Maar ja, ik had weinig in te brengen. Toen het terugkeren in beeld kwam, dacht ik: ‘Ik ga alles doen wat in Nederland niet mogelijk is.’ En daar heb ik enorm van genoten. Ik ben daar op een farm geweest om te helpen. Ik moest op een paard de koeien bij elkaar drijven, samen met nog een meisje. We gingen in die tijd om 8 uur ’s avonds al naar bed, en 3 uur ’s morgens stonden we weer op, want zo vroeg scheen de zon al. Ook ben ik zes weken in de bush geweest, met mijn broer en zijn vrouw, in the middle of nowhere . Daar werden we wakker gemaakt door wilde paarden. Mijn broer werkte daar mee bij het boren naar grondstoffen. We woonden in een grote caravan, midden tussen de wilde dieren. De winkel was heel ver weg, soms moesten we uren lopen, maar vaak kregen we ook een lift. Ik moest dan vaak op de lading in de laadbak van een vrachtwagen zitten. ‘Dat heb ik weer’, zei ik wel eens. ‘Wil je liever lopen zus …?’, zei mijn broer dan. Nou, nee dus.
Een hard leven
Mijn andere broer werd erg ziek. Daarom was hij de eerste die de boot terug nam. Ook omdat ziektekostenverzekeringen in Australië niet veel voorstelden. Elke keer werden er een of twee gezinsleden teruggestuurd, als er genoeg geld voor de bootreis was. We waren zuinig, maar ik heb nooit armoe gevoeld. Wel moesten we veel op paling vissen. Die maakten we op allerlei manieren klaar, bijvoorbeeld gebakken in het zuur of door de paling door bloem te halen en te bakken. In onze omgeving waren veel Nederlanders die armoe leden. Maar ze zwegen daarover. In ons gezin werd duidelijk uitgesproken dat we teruggingen. De reactie van andere Nederlanders was dan vaak: ‘Ik wou dat wij dat konden.’ Het was echt een hard leven, en ik heb daar veel mensen in drie jaar tijd erg oud zien worden. Wij hadden het geluk dat een van mijn broers zijn hele inkomen aan ons gezin gaf, zolang als mijn moeder daar nog was. Hij zou zijn eigen leven op poten zetten als wij weg waren.
Op school
We waren een eenheid, wij zeurden niet en kregen ook wel van alles. En, geloof me, we hebben heel veel gelachen, zelfs meer als er nu gelachen wordt. We hadden respect voor onze ouders, heel veel respect, en dat lieten we ook merken. Het leven op school was wel even anders dan in Nederland. Ik zou het Australische schoolsysteem van toen zo in het Nederland van nu willen invoeren. We gingen de school in en dan moesten we achter de stoel staan, tot de meester binnenkwam. Daarna moesten we hardop het onze vader bidden met z’n allen. Daarna wachtten we tot de meester zei dat je mocht gaan zitten. Als jongens stout waren, sloeg de meester ze met een bamboestokje op hun handen. Knalhard en het ging van 1 tot 3 slagen. Je kon je hand die dag wel vergeten. Meisjes sloegen ze niet. ‘Pech voor jou’, heb ik destijds tegen mijn broer gezegd.
Eens in de maand moest je buiten blijven staan in de rij. Dan moest je een toespraak aanhoren van de meester, over de Koningin van Engeland. Volgens mij wist hij niet eens waar dat lag. Daarna werd de vlag gehesen en werd het volkslied gezongen. Vervolgens werd er marsmuziek opgezet en moesten we marcherend de klas weer in. Soms duurde dit hele tafereel uren, dus ik heb ook wel eens meegemaakt dat er twee kinderen flauwvielen. ‘Wat een watjes’, heb ik tegen mijn broer gezegd. De eerste keer dat ik deze ceremonie meemaakte, hebben ze me bij moeten brengen van het lachen. Ik kon het helemaal niet plaatsen, maar vond het verder wel erg apart. We droegen ook uniformen op school. Ik had een leuk uniform met een stropdas. Je moest niet vergeten om het aan te trekken, want dan werd je naar huis gestuurd. Ziek zijn vond ik ook wel leuk op school. De school had namelijk een eigen ziekenboeg en als je ziek was, werd je naar bed gebracht.
Verhuizen
We zijn vier keer verhuisd in Bellambi. Mooie huizen hoor. In het begin vroeg ik me wel af waarom het toilet buiten was. Maar dat werd me al snel duidelijk. Iedereen had een ton met een toiletbril, en die tonnen werden omgewisseld en opgehaald door de gemeente. In bepaalde opzichten liep Australië in die tijd vooruit op Nederland, maar op bepaalde gebieden liepen ze juist achter. Het laatste huis had 6 slaapkamers. We waren nog met vier mensen over; de rest was alweer in Nederland. Mijn vader werd wat vrolijker, want hij zag zijn vaderland weer dichterbij komen. Er reed in die tijd ook nog een stoomtrein bij Bellambi. Dat vond ik heel grappig om te zien, zo’n rokende en puffende kolengestookte locomotief.
Holland kwam weer dichterbij voor mijn vader
Verbonden met Australië
Al met al had ik de tijd van mijn leven daar. Ik voelde me echt verbonden met Australië. Maar ja, de rest van het gezin was op zeker moment al terug in Nederland, dus ik wist dat mijn beurt ook zou komen. Mijn moeder praatte er niet meer met mij over, omdat ze wist dat ik eigelijk niet terug wilde. Heel mijn hart huilde, want ik zag mezelf alweer in Utrecht. Het Hollandse gezeur van ‘warm hè, koud hè, maar we mogen niet klagen.’ Je hoorde een aussie nooit klagen over het weer, nee, het was warm. Aussies zijn, denk ik, slimmer. Ik moest niet denken aan het opgestapelde wonen in Nederland. In Australië at ik de citroenen uit de tuin, want daar stond een mooie citroenboom. Het paard had ik niet meer, maar ik mocht gratis rijden op de manege. Ze zaten daar nogal met een wild paard, en ik mocht me erop uitleven!
De haven van IJmuiden
Inderdaad, het moment kwam waarop de boot de haven in voer, en, ja, ik moest mee. Het was een boot van 30.000 ton, met alle luxe die je maar bedenken kon, maar mijn hart was er even niet bij. Arcadia, was de naam van dit Griekse schip. We hadden verder een prima reis, maar ja, voor het eerst vroeg ik me af: ‘Wat nu?’ Op het moment dat we IJmuiden passeerden, ging mijn vader naar het bovendek. Hij keek naar de oever, en zei, met tranen in zijn ogen: ‘Je zou zo je stropdas overboord gooien.’ Toen voelde ik het gemis wat hij had moeten doorstaan, en ik besefte ook dat mijn gemis wel over zou gaan, en dat deed het ook, althans tot kort geleden …
De Arcadia
Anders geworden
Ik ben drie jaar in Australië geweest en heb daar wel voor 10 jaar ingehaald wat hier niet kan, door ruimtegebrek. Liefde voor Nederland heb ik niet, wel gehad, maar de laatste tijd vind ik het hier een rommelig zooitje. Ja, het leven in Australië is voorbij, maar ik heb de hoop er ooit nog eens te komen. Ik zal nooit meer voor lange tijd gaan, want dan wil ik er wéér blijven. Terug in Nederland moesten we inwonen. We hadden één kamer bij familie, en ik sliep op de gang. Ach, het was best een makkelijk mens. Ik paste me aan aan de omstandigheden, dat had ik ook geleerd in Australië. Mijn vader ging weer in de bouw werken en ik ging in een fabriek aan de slag. De overvloed aan ruimte, zoals ik het in Australië had gekend, was uit mijn leven verdwenen. We kregen een bovenwoning en zo werd hier de start weer gemaakt. Maar één ding is me bijgebleven: mijn vader kwam, zoals hij vroeger ook deed, weer fluitend thuis. Hij was weer de man die hij drie jaar niet kon zijn, hoewel hij nooit geklaagd heeft. Mijn ouders leven alle twee niet meer, maar, geloof me, ze hebben hun best gedaan om ons nooit een gevoel van armoe te geven, en dat is ze goed gelukt. En ik ben ze nog dankbaar dat ik dit alles heb mogen meemaken. Want ik ben er erg anders door geworden, zelfs beter.
Terug naar Bellambi
Ik ben nu 58 en ben de laatste tijd weer erg bezig met de jaren in Australië. Ik was benieuwd wat er van ons dorp in Australië geworden was. En struinend over het internet kwam ik een kaart tegen van het dorp nu, met alle straten en mijn school: de high school in Corrimal. Ik zag de straat waar we gewoond hadden en mijn hart stond even stil. Ik kon op de kaart nog precies aanwijzen waar ik gelopen had en waar de stoomtrein reed. Op de plaats waar ik vroeger liep, moest ik altijd door een klein parkje. Ook dat stond nog op de kaart; ik werd er bijna gek van. Nu ik dit gezien heb, is het voor mijn gevoel weer goed. Ik ben immers weer even geweest op de plaats waarnaar ik terugverlangde. En heel veel is er nog: de pub naast het stationnetje, met daarnaast een motel, de bowlingclub aan het einde van de straat. Ik kan het nu allemaal een plaatsje geven en ik kan ermee leven. Wel hebben mijn man en ik besloten dat we een reis gaan maken naar Australië. Als kind heb ik nooit goed afscheid kunnen nemen van Bellambi. Ik wil dat na 43 jaar alsnog gaan doen. Volgend jaar zijn we 40 jaar getrouwd, en dat is een mooie gelegenheid. We hebben er veel voor over om daar te gaan kijken.
Ik heb nog zoveel meer te vertellen, maar dat komt later. Wordt vervolgd dus!
Carrimbal op Google Earth
Terug naar overzicht verhalen.
Reageren? Klik hier


